Moeilijkheden in Gods hand geven

Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen.
Meleachi 3:3

In welke situatie u zich ook bevindt, hoop op de Heere, stel uw vertrouwen op Hem en verwacht het van Hem. Geloof dat uw situatie, hoe moeilijk ook, Hem niet uit handen loopt. Het kan het vuur zijn dat Hij gebruikt om u meer op de Heere Jezus te laten lijken.

Psalm 10:14 wijst ons de weg.

U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geeft.
Psalm 10:14

Dat geeft rust, dat geeft vrede. Als u als zilver in het vuur bent, kan dat voelen als een woestijnperiode. Juist zo’n periode kan passen in Gods plan om ons te veranderen naar het beeld van de Heere Jezus.

Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid.
Hebreeën 12:10

Hebreeën 12:10 geeft het doel aan: opdat wij deel krijgen aan Zijn heiligheid. Als we de situatie niet meer aankunnen, wil Hij ons dragen, voor ons zorgen.

Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, door rivieren, zij zullen u niet overspoelen. Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbanden, geen vlam zal u aansteken.
Jesaja 43:2

Wat een bemoediging, wat een troost. ‘U bent kostbaar in Mijn ogen,’ zegt de Heere.

Advertenties

Kerstvrede in oorlogstijd

Het was tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog. In het Oosten van Duitsland waren de Russische troepen ver doorgedrongen. Kort voor Kerstmis 1944 waren de Duitsers in het westen nog een wanhopig tegen­offensief begonnen: de slag in de Ardennen. Er werd hevig gestreden in de bossen van de noordelijke uitlopers van de Eifel. Een inwoner van Aken, een stad die erg te lijden had onder bombarde­menten, had zijn vrouw en zijn twaalfjarige zoon ondergebracht in een jachthut midden in de bossen. Het was de avond voor Kerstmis. De vrouw en de jongen za­ten samen stil in de hut bij het licht van een paar kaarsen. Hoe anders was deze avond dan Kerstmis in vroegere jaren! Plotseling werd er op de deur geklopt. Met bevend hart deed de vrouw open. Daar stonden drie Ameri­kaanse soldaten die van hun troepen­onderdeel waren afge­sneden. Eén van hen was gewond en bloedde hevig. De mannen waren gewapend en hadden zich ook zo naar binnen kunnen dringen. Maar ze bleven stil staan, bewogen zich niet en smeek­ten met hun ogen. Een gesprek was moeilijk, want moeder en zoon verstonden geen Engels. In gebroken Frans konden ze samen spreken. Frau Müller wenkte de drie mannen binnen te komen. Ze wist dat dat gevaarlijk was. De Amerikanen waren immers vijanden. Maar Frau Müller was een christin en in haar hart was de liefde van Christus. De gewonde soldaat werd op het bed van de jongen gelegd en verzorgd. Hans, de jongen, wreef met sneeuw de blauw bevro­ren voeten van de man­nen. Drie dagen lang hadden ze al rond­gedwaald in de bossen op zoek naar de Amerikanen en op hun hoede voor de Duitsers. Al gauw be­schouwde de moederlijke Duitse vrouw de vreemden als grote jongens, die wat hun leeftijd betreft haar eigen zonen hadden kunnen zijn. Ze had nog een vette haan, die ze eigenlijk tot Nieuwjaar had wil­len bewaren in de hoop dat haar man dan met een kort verlof thuis zou zijn. Nu werd de haan geslacht en vrijwillig voor de vijan­den opge­of­ferd. Al gauw hing er een heerlijke lucht van gebraden haan in de kamer.

Opeens werd er weer op de deur geklopt. In de verwachting nog meer verdwaalde Amerikanen te zien, deed de twaalfjarige Hans zonder aar­zelen de deur van de hut open. Buiten stonden vier mannen in uni­form: Duitsers!

Moeder en zoon stonden eerst verstijfd van schrik. Er was immers de harde wet: wie vijandelijke soldaten herbergt, pleegt landverraad. Ze kon­den allemaal wel doodgeschoten worden. Maar de moeder herstelde zich snel. Haar gezicht was bleek, maar haar stem was rustig toen ze zei: ‘Geze­gend Kerstmis!’ De soldaten beantwoordden de groet. Ze legden uit dat ze de weg naar hun legereenheid verloren hadden en vroegen beleefd of ze in de hut mochten overnachten.

‘Natuurlijk mag dat,’ zei de vrouw, ‘kom maar binnen. U kunt zo dade­lijk aanzitten aan onze kerstmaaltijd, waarbij nóg drie onverwachte gasten zijn. Maar u moet hen wel zonder meer als vrienden beschouwen.’ De leider van de Duitsers was een onderofficier. Hij vroeg bars: ‘Hebt u Amerikanen in huis?’ De moeder keek hem recht in de ogen en zei: ‘Het is kerstnacht en hier wordt niet geschoten! Jullie zouden mijn zonen kun­nen zijn en die daarbinnen ook. Eén van hen is gewond en vecht voor zijn leven. Zijn beide kameraden zijn hongerig en, net als jullie, doodmoe. In deze kerstnacht denken we niet aan doden!’ De onder­officier staarde haar aan. Enkele eindeloze seconden heerste er zwijgen. Toen, na een hernieuwd liefdevol verzoek van de vrouw, leg­den de vier soldaten hun wapens op de kist met houtblokken in de gang. Ook de ‘vijanden’ lever­den hun wapens in. Verlegen stonden de Duitsers en de Amerikanen schouder aan schouder in de kleine kamer. Nu was de moederlijke vrouw in haar element. Ze vonden allemaal een zitplaats: de twee Duitsers en de twee Amerikanen op haar grote bed. Moeder Müller keek in haar provisie­kast en haalde alles tevoorschijn wat ze kon missen. Al gauw was het kerstmaal klaar. Eén van de Duitse soldaten had nog een roggebrood bij zich dat moeder Müller sneed. Toen ze allemaal om de tafel zaten bij het schijnsel van de kaarsen, sprak moeder Müller het gewone tafelgebed uit: ‘Kom, Here Jezus, wees onze Gast…’

Daarbij schoten haar de tranen in de ogen. Ook de oorlogsmoede solda­ten uit de twee elkaar vijandige kampen waren ontroerd. Ze waren weer jongens, allemaal ver van huis. Het was of ze bij hun moeder aan tafel zaten op deze kerstavond. Het was dan ook heel vanzelfsprekend dat één van de Duitsers, een student in de medicijnen, zich over de wonden van de Amerikaanse soldaat boog voor een onderzoek. Allen waren opgelucht toen hij in vloeiend Engels constateerde: ‘De wond is gelukkig niet door de kou geïnfecteerd. De man heeft alleen veel bloed verloren. Hij heeft nu rust nodig en versterkend voedsel.’ Het was tegen middernacht toen de ‘vredesmaaltijd’ beëindigd was. Moeder Müller nam haar gasten, behalve de rustig slapende gewonde Harry, nog even mee naar de open deur. Ze keken in de heldere winternacht op naar de sterrenhemel. ‘Kijk,’ wees de vrouw, ‘is het niet net de kerstster?’ Prach­tig straalde de Sirius, de helder­ste ster aan de hemel, neer op het won­der­lijke kleine gezelschap daar beneden. De oorlog leek opeens heel ver en bijna vergeten. De privé wapen­stilstand duurde ook voort tot de morgen. De Duitsers en de Ameri­kanen gingen nu gescheiden wegen. Harry kreeg het laatste ei van moeder Müller en een slokje rode wijn. De anderen kregen een bord haver­mout. Van twee stokken en een tafel­kleed werd een draagbaar gemaakt voor de gewonde. De onder­officier wees de Amerikanen op een kaart hoe ze het beste hun troepen­onderdeel konden terugvinden. Vlak voordat ze weggingen gaf de gastvrouw de wapens terug. Ontroerd zei ze: ‘God beware jullie allemaal en moge Hij jullie spoedig in vrede doen terug­keren in jullie familiekring!’ De Duitsers en Amerikanen gaven elkaar een hand en gingen in tegenovergestelde richting weg. Toen moeder en zoon weer samen in de hut waren, haalde moeder de oude familiebijbel tevoor­schijn. De jongen zag hoe ze de Bijbel opsloeg bij de kerst­geschie­denis. In de afgelopen nacht was er een stukje werkelijkheid geworden van het woord dat de engel gesproken had: vrede op aarde!

Ook bij een ander vers bleef de vinger van de lezende vrouw rusten: ‘En zij trokken langs een andere weg naar hun land terug.’ Dat wordt gezegd van de wijzen uit het Oosten, die uit verre landen gekomen waren om het kindje Jezus te huldigen.

Zou er misschien ook een andere, een nieuwe weg zijn die de Amerikaanse en Duitse soldaten gingen, nadat zij deze bijzondere gebeurtenis met elkaar beleefd hadden?